Sterke Verhalen

Het roemruchte verleden maakt de Kaap een onuitputtelijke inspiratiebron voor Sterke Verhalen. Herkenbare verhalen, legendes of eigenlijk te mooi om waar te zijn-avonturen. In Rotterdam gaan de verhalen van mond tot mond. Zo ook tijdens de Nacht van de Kaap waar de beste sterke verhalen over de Kaap worden voorgedragen.

 

Om de beste sterke verhalen te vinden, roepen we de hulp van de bezoekers in. Iets meegemaakt, gehoord of heb je gewoon een fantastische fantasie? Deel dan jouw sterke verhaal met ons via www.facebook.com/dekaap of kunjijdekaapaan@gmail.com. Zet je je verhaal liever op papier? Breng het dan langs bij het Walhalla kantoor op Veerlaan 11. De beste verhalen worden voorgedragen en belonen we met fantastische prijzen als: een overnachting op De SS Rotterdam, vrijkaarten voor Theater Walhalla, een etentje bij één van de restaurants op Deliplein en het grootste ijsje ter wereld bij IJssalon Bleij!

  

 


WINNAAR STERKE VERHALEN ACTIE

Rondje Katendrecht door Theo Stepper

 Tegenwoordig doen ze alsof het heel bijzonder is: zwemmen in open water. In Rotterdam kan dat heden ten dage tijdens het Rondje Noordereiland. Drie hele kilometers! Pfffff, en dan hoeven ze nog niet eens te klunen! In mijn tijd was dat wel anders. Toen zwommen we  Rondje Katendrecht. Dat zijn ten minste tien kilometers! Katendrecht was groot in die tijd.

 Heen, door de Rijnhaven viel wel mee. Da’s een kort stukkie, hoewel op de kop bij Hotel New York een aardige stroming staat. Alleen de sterken, zoals ik, kwamen daar ongeschonden door heen. Diverse mindere zwemgoden werden door draaikolken naar de bodem gezogen. Ja, ik heb daar heel wat maatjes verloren…

Afijn, daar voorbij was het tot de kop bij het Katendrechtse hoofd, waar nou die stoomboot leg, met de stroom mee. Daar kon je lekker vaart maken.

 In de Maashaven was het in die tijd een drukte van jewelste en je moest oppassen dat je niet met je klauwen tussen de schroef van een sloep van de passagierende matrozen kwam. Heel wat jongens verloren daar een vinger of een hand. Anderen werden onpasselijk van de ingeslikte olie die daar op het water dreef. In de Rijnhaven kon het lekker schoonspoelen, maar de Maashaven is een kom, daar ken het niet weg. Afijn, dat begrijpen jullie ook wel.

 Op een dag hadden we met ons tweeën flinke afstand genomen van de rest van de zwemmers. Rinus, m’n maatje, en ik wonnen eigenlijk altijd, maar goed, dat terzijde. We lagen dus flink voorop, stoot Rinus z’n kop tegen een ons tegemoetkomende sloep. Hij gaat koppie onder en verslikt zich in een flinke sloot stookolie. De tranen sprongen hem in z’n ogen en ik wou hem niet achterlaten. ‘Kom op, Rinus’, riep ik hem toe en ik zwom een paar meter terug. We sloegen een arm om elkaars schouder en zo hebben we de laatste paar honderd meter gezwommen.

 Eenmaal bij het trapje naar de kade had Rinus al weer volop praatjes. We klauterden aan land en zwaaiden naar de achtervolgers die halverwege waren. Rinus haalde wat tabak uit een met reuzel waterdicht gemaakt zakje en draaide twee peuken. Die staken we achter ons oor, want we moesten nog klunen. Ken je je eigen voorstellen? Op onze blote poten renden we zeker een kilometer over de Hilledijk.

 Allicht dat ik deze keer won. Rinus had net een slok diesel achter z’n kiezen… Hijgend staken we onze saffies op. Rinus nam een grote haal en liep rood aan. Met ogen zo groot als schoteltjes blies hij krachtig uit. Hij leek wel een vlammenwerper! Helaas kwam er net een auto van de kit uit de Afrikaanderwijk en die vloog meteen in fik. We hebben er nog twee jaar voor motten brommen op de Noordsingel. Toen we vrij kwamen was het Rondje Katendrecht verboden

 


 

KNOKKEN MET SKANDIJOEKERS OP DE KAAP

  

 Toen de haven nog niet verplaatst was naar de Maasvlakte lagen er veel schepen aan de oevers van Katendrecht. Gemiddeld zo’n veertig zeeschepen in de Maas- en Rijnhaven. Op elk schip zo’n veertig man, die na het laden en lossen niet veel te doen hadden.

Bovendien was er zo’n drie keer per jaar een vlootbezoek van Britse of Amerikaanse schepen. Dan waren er elke keer zo’n 3000 marinemensen in Rotterdam. Katendrecht werd dan overspoeld door 500 of 600 matrozen. Ze kwamen met kleine sloepen aangevaren van de grote schepen. Het toezicht op deze passagierders lag bij de koninklijke marechaussee, samen met de militaire politie van de vloot zelf. Ter vergelijking: dat is dus eigenlijk hetzelfde idee als een Nederlandse agent die een groep Nederlanders controleert in Spanje. Maar goed, toen was dat zo. Die militaire politie had houten knuppels, en die gebruikten ze ook. Je kon het uit de verte horen als ze tekeer gingen op een menselijk lichaam. Je hoorde dan een gebonk van jewelste, een enorme herrie.

 De matrozen konden zich gedragen als de hooligans van tegenwoordig. Als ze lazerus waren trapten ze ruiten in, vernielden auto’s. Want als één matroos in uniform een probleem kreeg, bemoeiden alle matrozen zich ermee. Ze vochten allemaal met hun maat mee. Er zaten vaak Noren en Zweden tussen, die noemden we op Katendrecht de Skandijoekers. Die waren geen alcohol gewend want in hun land was een pilsje al gauw 15 gulden. Dus die vonden Katendrecht een paradijs en zopen zich te pletter. En dan kwamen de ruzies, over vrouwen, geld of drank. Knokken met de vuisten, werd het dan. Het bleef over ’t algemeen bij bloedneuzen en blauwe plekken. Wapens zag je in die tijd zelden. Kapenezen raakten erbij betrokken als ze bijvoorbeeld als uitsmijter werkten in de kroeg. Of gewoon, als ze ingeseind waren om te komen matten.  

Begin jaren zestig liep zo’n matpartij zo uit de hand dat de mariniers uit de Van Ghentkazerne opgetrommeld werden. De buitenlandse matrozen werden weinig zachtzinnig in vrachtwagens gedouwd en afgevoerd. En een andere keer kwam de bereden politie eraan te pas. Een agent liep toen met paard en al de Brooklynbar in. Door de ene ingang erin, door de andere ingang eruit. Daarna was het café wel meteen helemaal leeg. En dat was ook de bedoeling…

 

BRON: ANONIEM.


CONTACTEN VAN VERRE 

“Ik woon in een van de kluspanden op de Tolhuislaan. Nou ja, wonen… het is nog steeds verbouwen, verbouwen en nog eens verbouwen. Het gaat heel mooi worden, maar dat duurt nog een tijdje. 

Toen we voor het eerst in ons pand kwamen, zaten er wel vier lagen behang op de muren. Bij het afkrabben ontdekten we onder de oudste laag een enveloppe. Er stond op: aan de bewoners van dit pand, in het Hollands. Heel voorzichtig maakten we ‘m open. Want het papier verkruimelde bijna onder je handen. Er zat een brief in uit het begin van de vorige eeuw. In het Chinees.

 Wij met de brief naar Wing Wah in de Atjehstraat. Een vriendelijke ober wilde ons wel helpen. Hij las de brief. Keek ons toen met grote ogen aan. Hoe kwamen wij aan deze brief? Toen we dat vertelden, stond hij paf.

Hij zei dat er een voorspelling in de brief stond. Dat Katendrecht zou veranderen in een varend schip. Het hele schiereiland komt los van de Maashaven en de Rijnhaven en vaart een eigen koers. Alle bewoners gaan mee met dit varende eiland op een verre reis, richting China. Middenin de 21e eeuw komt het varende Katendrecht weer terug op de oude plek. Dan kent iedereen elkaar zo goed dat Katendrecht weer een hechte gemeenschap is, van álle bewoners, oude en nieuwe.” 

 

 

BRON: BROODJE KAAP


HALF ZEESHIP OP JE LIJF?

“Ik zit al 45 jaar hier op de Kaap. Geen haar op mijn hoofd die erover peinst om weg te gaan. Ik ben verweven met de Kaap. Ik ben de laatste der Mohikanen, want vroeger zaten er 7 tatoeëerders op Katendrecht.

Tja, je maakt natuurlijk de gekste dingen mee. Bijvoorbeeld die zeeman, die een vrouw op zijn lichaam wilde. De voeten van die vrouw begonnen in zijn navel en haar hoofd moest eindigen in zijn nek. Maar halverwege liep ie weg, want het deed zo’n pijn… Dus loopt er ergens een zeeman rond met een halve vrouw op zijn lijf. En zo lopen er ook mensen met halve schepen op hun lichaam. Die geven het dan halverwege op.

Dat gebeurde niet bij die man die zijn geslachtsdeel helemaal rood wilde hebben. Die bleef stug zitten. Vond het misschien een amusant gevoel…

 Ik had een keer een Ier in de winkel, die wilde zijn vingers helemaal wit, groen en rood. Waarom? Tja, weet ik het. Sommige mensen willen hele typische dingen. Ik had ook een keer een stel studenten, die waren allemaal afgestudeerd als arts. Ze stonden in de rij om allemaal een of ander logo op hun kont te krijgen: een hondje dat tegen een ouderwetse lantarenpaal stond te piesen.

 Toen het hier nog een hoerenwijk was kreeg ik vaak hoertjes binnen die de naam van een zeeman op hun arm lieten tatoeëren. Daar kregen ze dan 200 gulden voor van die zeeman. Was ie weg, dan kwamen ze bij mij om het weer zwart te laten maken. Dat gebeurde echt vaak hoor, wel vijftig tot honderd keer per week.

 

BRON: TATTOO BOB


ZWAAR WATER 

In de oorlog is de Kaap ontzien bij bombardementen afgezien van een paar verdwaalde bommen bij de punt. Ook waagden Duitsers zich nauwelijks op Katendrecht, behalve dan de Wehrmacht. Oké, ze mochten er ook niet komen omdat de verleidingen van de café’s te groot zouden zijn. Maar ze bleven ook liever weg. Daardoor was de Kaap in de oorlogsjaren een echte vrijhaven. Er werd heel wat (zwart) gehandeld. Iedereen ging zijn goddelijke gang. Daarbij werd je ook wel eens belazerd. Bijvoorbeeld die keer dat iemand dacht een prima slag geslagen te hebben met de koop van twee kisten verleidelijke chocoladepoeder. Chocoladepoeder! In de oorlog! Goud waard. Nergens te bemachtigen. Goed, voor grof geld aangeschaft. Bij thuiskomst bleek alleen de bovenste laag uit chocola te bestaan. Daaronder lag alleen maar… roest.  

Maar goed, terug naar de bombardementen die er dus niet waren. Er gaat een hardnekkig gerucht over een andere reden waarom de Kaap door autoriteiten angstvallig werd gemeden.

In de oorlog lag de bedrijvigheid grotendeels stil. Ook op de Kaap. Behalve bij het voormalige stukgoedbedrijf Thomsen. Daar werd gewoon doorgewerkt. En flink ook. Het verhaal wil dat hier een zeer explosieve chemische stof opgeslagen zou zijn: de basisgrondstof voor een atoombom. In de volksmond ‘zwaar water’ genoemd. Daar moet niet per ongeluk een bommetje op vallen en beter was het om maar helemaal uit de buurt van dat spul te blijven.

 Het is nooit duidelijk geworden of ‘zwaar water’ door anderen ook wel ‘sterk water’ genoemd, nou wel of niet tijdens de oorlog op Katendrecht aanwezig was. Ook Kapenezen die bij Thomson gewerkt hebben, blijven zwijgen als het graf. Want niemand heeft er iets mee te maken, zeggen ze. Klaar uit! Het verhaal blijft rondzoemen op de Kaap. Onzinverhaal? Broodje Kaap? We zullen het waarschijnlijk nooit te weten komen.

 

BRON: ANONIEME KAPER


DE OUDE JAS VAN KATENDRECHT

 

Boven de lage huizen van de Atjehstraat staken de laadbomen van de schepen in de Maashaven hun spillebenen omhoog. Achter mij wist ik de Rijnhaven. Op die smalle strook land tussen die twee havens heb ik 10 jaar geleefd. Schepen voor en achter mij en ik op het schiereiland Katendrecht  (de metafoor van een aanlegsteiger)  ertussenin. Of je nou naar bakboord of stuurboord zou laveren het kon niet anders dan een keuze voor de verte worden.

In een grote bruine Toyota werd ik zomer 1966 meegenomen door een makelaar naar Atjehstraat nr 7. Toen ik de woning op de tweede verdieping  zag, die mijn eerste eigen huis zou worden, was ik meteen  verkocht. De zon stroomde van over de Maashaven de ramen van de woning binnen, deed de planken vloer oplichten. Het huis straalde als een jonge blonde vrouw. Ik was verloren. Ik betaalde het sleutelgeld zonder morren en was dolblij met mijn eerste eigen woning. Er was een woonkamer van ongeveer drieëneenhalf bij vier meter  aan de straatkant en aan de achterzijde van het huis lagen  twee kamertjes van maximaal twee bij anderhalve meter die net ruimte boden aan respectievelijk mijn bed en de piano. De diepte van mijn huis was gering, vijf tot zes meter, omdat  de bebouwing van de Atjehstraat en de Veerlaan smal begon en als een wig steeds breder uitliep. De twee rijen huizen kwamen samen in de vorm van een scheepsboeg. Toepasselijk in een stadsdeel waar alles als het ware in het teken stond van het maritieme leven.

 Op zoele zomeravonden lagen de Katendrechters op kussens in de open ramen en een onafzienbare karavaan auto’s trok stapvoets met gedimd licht door de straat tot diep in de nacht. Menselijke handelswaar luierde tegen de puien van de bordelen. Soms een been achteloos naar achteren tegen de deur gezet.

Veel vrouwelijk schoon allemaal met een eigen verhaal. Flamboyante negerinnen en onooglijke meisjes uit de provincie. Vrouwen die naar extravagante luxe haakten naast een meisje dat,o schande, een buitenechtelijk kindje had gebaard en daar alleen voor moest zorgen. Zij was uitgestoten uit het kleinburgerlijke kerkelijke milieu van haar Brabantse dorp. De tolerante jaren zestig!

Aanvankelijk woonden de meisjes van plezier in de wijk en waren volkomen geaccepteerd. Ze kochten in dezelfde winkels, gingen naar dezelfde café’s, deelden lief en leed met elkaar en met de autochtone bevolking. Maar op den duur kwamen er steeds meer dames van buiten die geen boodschap hadden aan de buurtbewoners. Op ’t laatst werd er in ploegendiensten volcontinu gepeesd.

De neringdoenden verdwenen, hun winkels werden uitstalkasten van meisjes. Woningen  werden opgekocht door De Nek een gierachtig type uit Leiderdorp. Soms zag ik hem lopen, die  Nek, zijn bordelen monsterend en als mijn buurvrouw uit het raam hing riep hij naar boven: “Hé, De Groot,  wanneer pleur je eens op.” Zodra hij mensen had uitgekocht of weggepest werden de kamers opgedeeld in peeskamers. Hoe meer hoe beter. Vier peeskamers zouden van mijn woonkamertje kunnen worden gemaakt. De prostituees werden je reinste geldmachines. De prostitutie verhardde waar ik bijstond.

Er ontstond steeds meer onvrede in de wijk. Kleine opstootjes, relletjes, branden. De Kaap bloedde langzaam dood. De romantische tijd van meisjes die op de Kaap woonden, die je ontmoette in het café, met wie je soep at bij de buurvrouw, die je sprak bij de wassalon, die tijd was voorbij. Zakelijke houding deed zijn intrede samen met de verontwaardiging van de autochtone bewoners die hun vrije,  anarchistische bestaan steeds meer bedreigd zagen. De Kaap bloedde dood door vampirisme. Verbloedde door de niet te lessen dorst van uitzuigers. 

Als ik in die tijd hele dagen thuis was kwam mijn buurvrouw soms naar boven met een pannetje soep. Dikke soep, soep van liefde. Of ik dronk koffie bij haar samen met Annie het buurmeisje van lichte zeden. Haar vriend en beschermer was een gitzwarte neger die rondreed in en knalgele Opel  met uitklapbare koplampen. Een ‘state of the art’ fenomeen uit de jaren ’60, begin ’70.  Een auto glanzend als de kleurige lakschoenen in de winkel van Corbeau op de Kruiskade.

De buren woonden in net zo’n ruimte als ik, maar dan wel met z’n vieren… Elke morgen om zes uur stond de buurman op om naar z’n werk te gaan bij Pakhuismeesteren, in het koelhuis. Hij had altijd pijn in zijn voet sinds hij een keer op zijn werk om het vege lijf te redden van een hoogte had moeten springen. Een of ander gevaarte was losgeschoten van een tank en dreigde hem te verpletteren.

Op een dag liet hij mij een brief lezen van een orthopeed die hij had bezocht, vanwege de niet te harden pijnen in zijn voet.”buurman kunt u hieruit wijs, vroeg hij” Nadat ik mij met behulp van woordenboeken een weg had gebaand door de cryptische medische terminologie die mij van de brief tegemoet walmde, begreep ik dat in de voet een aantal botten waren gebroken door die sprong voor zijn leven en weer met elkaar waren vergroeid en verkalkt.

Kortom, er was niets meer aan te doen. De bedrijfsarts had hem na een paar dagen rust gewoon door laten werken. Pas toen de pijnen niet meer te harden waren, ik meen na een paar jaar, was hij eens naar het ziekenhuis gegaan. 

Het waren sowieso geen klagers, de buren, meer dragers. Van vooroorlogse snit, eenvoudig maar geen watjes. Zij bezaten een soort adel die de sociale klassen overstijgt. Een zekere zieleadel.  Gevoel voor saamhorigheid, fatsoen en tolerantie en warmte voor de medemensen die je vaak minder ziet worden als mensen stijgen op de maatschappelijke ladder. Ze waren beschaafd met een hoofdletter B. Maar doetjes, dat niet.

Op een avond vroeg buurvrouw de Groot aan een meid die met haar voet tegen onze deur stond te bonken: “zeg ga jij bij je eigen voor de deur staan” Logisch, want het kwam nogal eens voor dat een zeeman behalve geld en wat van zijn kostbare lichaamsvocht ook materiële zaken achterliet in een peeskamer, bijvoorbeeld z’n horloge of zijn portemonnaie.

Als hij het dan in z’n kop kreeg dat hij was bestolen, niet altijd ten onrechte, kwam hij meestal met een behoorlijke snee in zijn neus verhaal halen en trapte bij jou de deur in. Daar had hij haar immers opgepikt.

De vrouw die prachtig opgedoft voor onze deur stond riep  “Ik sta hier best en blijf lekker staan” “O goed, blijf jij maar lekker staan” riep de  buurvrouw toegeeflijk. Ze  liep naar de keuken, liet een emmer vol water lopen, schudde er een pak wasmiddel in uit en kieperde de inhoud uit het raam over de dame uit. Toen schoof zij rustig het raam dicht om de onhoffelijke bejegening die van beneden opsteeg  buiten te sluiten en zei: “U nog een kopje koffie buurman”? Geen doetje. 

Hoe lang heeft het niet geduurd voor deze buren voorzichtig tegen mij zeiden dat pa elke morgen om zes uur op moest om naar Zijn werk te gaan. En ik maar vaak tot diep in de nacht mijn Bohémien- bestaan uitleven op de piano. Na die dag heb ik nooit meer na tienen gespeeld. Hoe lang heeft het niet geduurd voor ze mij vroegen: “zouden wij wat kleine dingen op uw gedeelte van de zolder mogen zetten, want wij hebben zo weinig ruimte”. Hun zoon Arie sliep op zolder in een geïmproviseerd kamertje. Het andere deel van de zolder was eigenlijk van mij maar ik maakte er nauwelijks gebruik van.

Arie liet mij voor het eerst de Rockmusical van The Who horen. “See me, feel me, touch me, heal me.” Ik schrijf de woorden en ben weer in hun kleine huiskamer in die warmte, in dat verleden.

Die huizen bestaan niet meer en de Kaap is eerst verdwenen met zijn reuring, cafés, dancings, hoeren, opiumkitten, jazzmuziek en nu in een splinternieuwe jas gestoken die moet slijten voor hij weer lekker om de schouders zit. Mijn wijk Katendrecht zat mij als een oude jas.

Zou het kunnen zijn dat er op die totaal verdwenen en veranderde plek toch een bijna voelbaar fluïdum van het verleden hangt? Voor mij in elk geval wel. Zouden andere mensen het kunnen voelen als ze in je nabijheid zijn op zo’n plek? Wie weet.

 

BRON: Ingekorte versie van een verhaal van Peter Goedhart uit oktober 2010.

Voorgelezen op Radio Rijnmond in de rubriek Reading Heads vanuit Tjechov & Co.